Töddenthema’s

Handelswegen

handelswegenDe belangrijkste handelsroutes van de Tödden liepen richting Nederland. De emsländischen Töddengemeenten Schapen, Beesten, Messingen, Suttrup en Freren vormden de graafschap Lingen, die zich in de 17de eeuw onder Nederlandse heerschappij bevond. Dit vereenvoudigde het ontstaan en de uitbreiding van de Töddenhandel in Nederland, omdat de Lingense onderdanen daar niet als buitenlander golden.

De zuidelijke Tödden-route volgde de oude weg van Osnabrück door de provincie Overijssel in de richting van Deventer en het zuiden van Nederland. De noordelijke route liep langs Mettingen, Recke, Hopsten, Schapen en Beesten richting de Lingener Emsfähre. Opvallend is dat deze Töddengemeenten direct aan of in de buurt van de weg naar Lingen liggen. Ten westen van de Ems loopt de handelsroute via de „Flämische Straße“ naar Deventer-Flandern en langs de „Holländische Straße“ naar Zwolle. De „Flämische Straße“ bracht de Tödden naar Bremen en Hamburg. In het oosten was de oude weg van Osnabrück via Minden een belangrijke handelsroute.

In de 18de eeuw, de bloeitijd van de Töddenhandel, waren er handelsrelaties tot aan Engeland en de Baltische staten gesloten. De keuze van de af te leggen route werd naast de bestemming ook door douanevoorschriften, oorlogen en de wegencondities beïnvloed.

Taal

taalDe Tödden hadden tijdens zakelijke bijeenkomsten een geheimtaal voor interne afspraken, het „Bargunsch“ of „Humpisch“. De taal werd alleen gesproken, schriftelijke documentaties hiervan zijn er nauwelijks gevonden. Met het einde van de Töddenhandel is ook de bijbehorende taal snel verdwenen.

Slechts een aantal zinnen en uitdrukkingen uit de Töddentaal zijn middels wetenschappelijke onderzoeken van professor Friedrich Kluge en Louis Stüve gedocumenteerd. Zo betekent „De Tiötte verschnüfft, bat dat grüseken quässt“: de koopman begrijpt, wat het meisje vertelt. „Huntsche bant lunsch“ betekent: de klant is slecht.

Ook voor getallen had de Töddentaal zijn eigen begrippen: 1 = ene, 2 = bede, 3 = droimes, null = 100, trant null = 1000. De uitdrukking „Quäss humpisch“ (spreek de Töddentaal) is nog altijd een bekende uitdrukking binnen de Töddengemeenten. Maar geen enkeling beheerst deze geheime taal van de koopmannen nog.

De Töddentaal behoort tot de vroeger wijd verspreide geheim- en boeventaal, waarin bepaalde beroepsgroepen gesprekken voerden, zodat vreemden niet konden meeluisteren. Een aantal uitdrukkingen uit het „humpisch“ laten klanken uit het Latijn horen, andere zijn afgeleid van het Nederlands. Overgedragen uitdrukkingen zijn bijvoorbeeld taftkätscher = wever, stoffe = zoon, stoffel = bruidegom, mättenquässer = leraar, for = Mark, knök = daalder, ruschen = rekenen, behumsen = bedriegen of stücheln = venten. „knos den Hutsche“ betekent: ken je de man? En „spur pritz“ betekent: ga weg! Bij veel woorden liggen er eigenschappen of bezigheden ten grondslag: klaren = raam, trabbert = paard, mauke = kat, glimmert = sigaar, lusters = oren of knackert = suiker.

Sommige uitdrukkingen gingen over in de omgangstaal van de dorpen en zijn daar nog altijd in gebruik, bijv. stift = leerjongen, verkohlen = voorliegen, flunkern = liegen of nüms = niks, niemand. De geheimtaal van de Tödden is met de ondergang van de Töddenhandel verdwenen. Het was dan ook geen normale omgangstaal waarin over alledaagse dingen gesproken werd.

Voor wie meer te weten wil komen over deze taal, is het boek „Die geheime Sprache der Tiötten“ van Klaus Siewert een aanrader. Het boek is te leen in de bibliotheken binnen de Töddengemeenten en te koop in plaatselijke boekwinkels.

Kleding

kledingDe tegenwoordig door folkloregroepen gedragen „Töddendracht“ is terug te voeren naar een portret van de „Ravensburger wever“ van Otto Reinhard Jacobi uit het jaar 1842. Dit schilderij vertoont verschillende historische kledingstukken, zoals deze in de 18de en 19de eeuw door kooplieden werden gedragen.

Afbeeldingen uit de tijd voor 1800 stellen de wandelende handelaren in kniebroeken en met brede hoeden tentoon. Bij koud weer droegen zij lange mantels met zilveren knopen. Typische bagagehouders waren kratten met naaigerei of zakken met linnen rollen, die op de ruggen gedragen werden. De meegedragen doeken, een ellenmaat om te meten, de lange pijp en de wandelstok waren ook typerend voor de Tödden.

In de 19de eeuw waren lange broeken en cilinderhoeden in de mode. Of de Tödden tijdens hun reizen daadwerkelijk zulke hoge hoeden droegen, valt te betwijfelen.

Transportmiddelen

transportmiddelenDe Tödden kochten linnen, garen en ijzerwaren in grote getale in, om ze vervolgens door te verkopen. De afstanden tussen de inkoop- en de afzetgebieden waren veel te groot om de waren op de ruggen te vervoeren. Zeelieden en schippers zorgden voor het transport en brachten de waren naar de opslagruimtes van de wandelende handelaars. Alleen tijdens de weg vanaf daar tot aan de klant werden de pakketten textiel of de draagkisten met naaigerei op de rug gedragen.

Bespande paardenwagens golden als het belangrijkste transportmiddel over land. Spoedbestellingen konden zo ook als pakket per postkoets worden vervoerd. In Nederland waren de „trekschuiten“ -de vanaf de wal door paarden getrokken schepen- het ideale vervoersmiddel. De Zuiderzee (het huidige IJsselmeer) werd overgestoken met veerboten. Toen er na 1850 de eerste spoorwegverbindingen van Duitsland naar Nederland ontstonden, was de Töddenhandel al ruimschoots verdwenen.

Handelsgoederen

handelsgoederenHet belangrijkste handelsgoed van de Tödden was het Westfaalse linnen. Dit werd voornamelijk rondom Bielefeld in het Münsterland en in het Tecklenburger Land geproduceerd door wevers. In Nederland en de kolonies heerste een grote vraag naar linnen stoffen. De Tödden verkochten bovendien ook onderdelen als naalden, banden, koorden en andere waren.

Ook in het koninkrijk Pruisen was de linnenhandel in handen van de Tödden. Later viel ook de provincie Silezië in handen van de Pruisen. Vervolgens legde Pruisen een verbod op de invoer van Westfaalse linnen, om zo de Silezische textielnijverheid te bevorderen. De Tödden schakelden daarom over op de handel in ijzerwaren en lemmeten uit de Pruisische fabrieken. Daar komt ook de uitdrukking „Lingener Messerträger“ vandaan.

Nazaten van de Tödden

nazatenAl in de 17de eeuw handelden de zonen van het Brenninckmeyer-hof in linnen. Hun nakomelingen, de gebroeders Clemens en August Brenninckmeyer (vandaar; C&A) richtten in 1841 in Sneek een textielopslag op, dat als een van de eerste wereldwijd confectiekleding aanbood. Vanuit hier ontwikkelde zich een internationaal concern met meer dan 1500 filialen in ruim 20 landen. Het eerste filiaal werd in 1911 in Berlijn geopend. Tegenwoordig behoort C&A tot de grootste kledingwarenhuizen ter wereld.

Het bedrijf is nog altijd in het bezit van de Brenninckmeyers en wordt bestuurd door familieleden. Mettingen, het herkomstdorp, is nog steeds nauw verbonden met de familie. Hier zijn een aantal woningen en een museum te vinden.

Töddensysteem

systemDe Tödden waren gespecialiseerd in koophandel in afgelegen landelijke regio’s, waar men verder maar weinig winkelmogelijkheden had. Na jarenlange bezoeken kenden ze hun klanten door en door.

Ook hun basissen en kwartieren gebruikten ze vaak jarenlang. Een aantal werden zelfs lid van de Nederlandse koopmansgilde.

Het handelssysteem van de Tödden was onderverdeeld in verschillende werkvelden. Groothandelaars organiseerden de inkoop en transport, de wandelende kooplieden verkochten langs de deuren. Het Töddenbestaan was ten slotte gebaseerd op de kleine handel. Kleinere handelaars sloten zich regelmatig aan bij handelscompagnieën, om zo hun kapitaal te bundelen en risico’s te minimaliseren. Deze zogenaamde „compagniehandel“ maakte de eerste stap in het handelsleven makkelijker. De Tödden kregen een steeds groter aandeel binnen de handelscompagnie en daarmee vergrootten ze hun winst. Familiebanden versterkten deze zakelijke relaties en hielden het geld binnen de familie; kinderen van zakenpartners trouwden met elkaar.
Pas na jarenlang uitheems koopmanschap konden de kooplieden een gezin stichten, dat ze vervolgens maar zelden zagen. Pas toen het pensioen in zicht was, gaven de Tödden hun roerige handelsreizen op. De senioren verkochten hun aandelen aan jonge kooplieden, zodat ze genoeg hadden voor hun oude dag. De wandelende handel was de basisvoorziening voor vele honderden families. Onvermogende dagloners en boerenzonen, die in hun thuisstreek nauwelijks bestaansmogelijkheden hadden, vonden hier een nieuw bestaan.

De leefomstandigheden van de wandelende handelaars en hun gezinnen waren niet bijzonder aangenaam. De mannen waren het grootste gedeelte van het jaar onderweg en de verre reizen brachten de nodige risico’s met zich mee.
De verdiensten en de doorgroeimogelijkheden waren toch aanzienlijk beter dan bij de landwerkers, de handwerkers of de arbeidsmigranten in Nederland. De Töddenhandel vormde een belangrijke sector voor de economie van de graafschap Lingen. Voor de autoriteiten was het lastig om de Tödden te besturen, omdat ze met buitenlandse goederen in het buitenland handelden. In hun eigen regio droegen ze dan ook maar weinig belasting af, wat hun eigen verdiensten ten goede kwam. Ook maakten ze slim gebruik van het grensgebied tussen Pruisen en het Münsterland en wisten zelfs tijdens de Franse overheersing de streng beveiligde douanegrenzen steeds opnieuw te omzeilen. Hiermee deden ze vooral tijdens het continentaal stelsel van Napoleon hun voordeel.

Scholing

scholingElke activiteit tijdens de wandelende handel vereiste enige kennis van het schrijven en lezen van handelscorrespondentie, van het rekenen en van het boekhouden. Groothandelaren moesten ook thuis zijn in het overeenkomstrecht en het rente- en vermogensmanagement. Het commerciële rekenen werd bemoeilijkt door de verschillende muntsoorten. Naast het vermogen was dus ook het opleidingsniveau bepalend voor de salaris- en doorgroeimogelijkheden binnen het Töddensysteem.

Op de dorpsscholen kon men in de 17de eeuw enkel de rekenbeginselen en het lezen en schrijven leren. Geïnteresseerde leerlingen die verder wilden komen, moesten de leraar extra betalen.

In de 18de eeuw werd vaak de goede kwaliteit van de scholen in de Töddengemeenten benadrukt. De kooplieden hechtten waarde aan een goede opleiding voor hun zonen, vrouwen namen niet deel aan de wandelende handel. Voor een goede scholing namen ouders privéleraren in dienst, of richtten ze een particuliere handelsschool op zoals de „Hauge Schoule“ in Mettingen. Ook voor een vervolgopleiding bij een bedrijf moest „leergeld“ betaald worden. De handelsopleiding kon worden afgelegd met privéonderwijs en tijdens een leerweg, dat gekenmerkt werd door een verblijf in het buitenland. Hier leerde men bovendien de nodige vreemde talen.

Religie

religieDe Tödden kwamen vrijwel zonder uitzondering uit katholieke dorpen en waren diep verbonden met hun geloof. Hun belangrijkste afzetgebieden lagen in Nederland, waar het calvinisme staatsgodsdienst was en de katholieke minderheid slechts gedoogd werd. Er waren katholieke geestelijken actief binnen inofficiële privékerken, zodat de Tödden tenminste zo nu en dan een mis konden bijwonen. Bij ziekten, overvallen of scheepsnood schonken sommige Tödden geld aan de kerk in hun woonplaats of aan de Annakapel in Hopsten, het bedevaartsoord van de Tödden. Met de invoering van de geloofsvrijheid werden de rijke koopmansfamilies later de belangrijkste sponsors van kerken – ook in Nederland.

Bij een ideale christelijke leefwijze hoort ook naastenliefde, oftewel de zorg voor de armen en de zieken. De vermogende kooplieden zagen dit als een sociale verplichting en de caritas werden door kerkelijke organisaties georganiseerd. In offerblokken langs de straten van de Töddengemeenten zamelde men kleinere giften in, de grote geldsommen werden middels schenkingen en geloften aan de kerk gedoneerd.

Hun loyaliteit aan het katholieke geloof legden de rijke Tödden ook vast door het oprichten van kunstwerken voor de kerken in hun woonplaats. Kerkklokken en kroonluchters, apparatuur voor het altaar en andere artistieken hulpmiddelen dragen nog altijd de gegraveerde namen van de vrome oprichters uit een lange reeks kooplieden. Maar ook de minst vermogende katholieke (diaspora)gemeenten in afzetgebieden van de Tödden in Nederland, Sleeswijk-Holstein, Brandenburg en Mecklenburg konden op de steun van de wandelende handelaars rekenen.

Wonen

wonenDe Tödden stamden af van de boerenbevolking. Hun huizen zagen er uit als een gewoon boerenhuis uit vakwerk. Het was niet makkelijk om het administratieve werk in de keuken van een simpele woning uit te voeren. Daarom kregen de Töddenhuisjes al in de 18de eeuw een verwarmd kamertje met opslagruimte. De stalruimte was erg klein, de landbouw speelde bij de wandelende kooplieden dan ook geen grote rol. Daardoor werd het woongedeelte vanaf de 18de eeuw steeds verder uitgebouwd. In de tijd rond 1800 lieten de rijke Töddenfamilies voor het eerst massieve woonhuizen uit steen bouwen, die aan de Nederlandse landhuizen doen denken. Het huis had een gang en een woonkamer in plaats van een stalruimte en een grote keuken.

In de 19de eeuw werden er voor de kooplieden representatieve seniorenwoningen in hun woonplaatsen gebouwd. Vanaf 1850 hadden ze geen vakwerk-, maar meer een villastijl. Bij de Tödden waren vooral de bouwvormen uit het classicisme populair. Eigenlijk was deze bouwstijl in deze tijd in Duitsland helemaal niet gangbaar, vandaar het vermoeden dat de architectuur naar een Nederlands voorbeeld is ontstaan. Een hoog souterrain, een breed opgestelde begane grond, een portaalachtige huisdeur, een tussenvloer en een zadeldak zijn typische kenmerken van deze bouwstijl. Het handelsgedeelte bevond zich in de achterste aanbouw.