Wie ze waren

Tüötten BronzefigurVanaf de 17de eeuw trokken de Tödden als reizende handelaars door het land. Eerst brachten ze linnen, later ook garen en ijzerwaren aan de man. Dankzij de goed georganiseerde handelsbetrekkingen brachten de Tödden welvaart naar de vroeger door Nederland geregeerde („organische”) graafschap Lingen. De nabije ligging van Nederland fundeerde de eerste handelssuccessen, die de Tödden in de 18de eeuw over grote delen van Noord-Europa konden uitbreiden. Ook het uit de regio stammende textielwarenhuis C&A en de voormalige modehuizen van de Hettlage-groep vinden hun oorsprong bij de kooplieden, die zichzelf de Tödden noemden.

Vanwege het plaatselijke dialect is in Mettingen de aanduiding „Tüötte“ gebruikelijk, terwijl in Hopsten het begrip „Tödden“ en in Recke „Tiötten“ is doorgevoerd. De naam „Tüötten“ voor wandelende kooplieden stamt af van hun geheimtaal, het Bargunsch of het Humpisch. In historische bronnen worden ze ook wel „Packenträger“ of „Bonddrager“ (linnenhandelaar), „Messerträger“ (ijzerwarenhandelaar), handelsman, koopman of koophandelaar genoemd. De betekenis en de herkomst van het begrip zijn omstreden. Onderzoekers vermoeden dat het te herleiden is uit het oud-Saksische tichan = trekken of het Nederduitse taorrn = slepen. Anderen zien een samenhang met de term „Teuten“ of „Toeten“ voor kooplieden uit Brabant. Een Osnabrücker woordenboek uit 1756 omschrijft „Tödden“ als: personen, die iets van de ene plaats naar de andere slepen. Met hun eigen taal waren de Tödden in staat, Ook voor getallen had de Töddentaal zijn eigen begrippen: 1 = ene, 2 = bede, 3 = droimes, null = 100, trant null = 1000. De uitdrukking „Quäss humpisch“ (spreek de Töddentaal) is nog altijd een bekende uitdrukking binnen de Töddengemeenten.

toeddenMaar geen enkeling beheerst deze geheime taal van de koopmannen nog.

De Töddentaal behoort tot de vroeger wijd verspreide geheim- en boeventaal, waarin bepaalde beroepsgroepen gesprekken voerden, zodat vreemden niet konden meeluisteren. Een aantal uitdrukkingen uit het „humpisch“ laten klanken uit het Latijn horen, andere zijn afgeleid van het Nederlands. Overgedragen uitdrukkingen zijn bijvoorbeeld taftkätscher = wever, stoffe = zoon, stoffel = bruidegom, mättenquässer = leraar, for = Mark, knök = daalder, ruschen = rekenen, behumsen = bedriegen of stücheln = venten. „knos den Hutsche“ betekent: ken je de man? En „spur pritz“ betekent: ga weg! Bij veel woorden liggen er eigenschappen of bezigheden ten grondslag: klaren = raam, trabbert = paard, mauke = kat, glimmert = sigaar, lusters = oren of knackert = suiker.

Sommige uitdrukkingen gingen over in de omgangstaal van de dorpen en zijn daar nog altijd in gebruik, bijv. stift = leerjongen, verkohlen = voorliegen, flunkern = liegen of nüms = niks, niemand. De geheimtaal van de Tödden is met de ondergang van de Töddenhandel verdwenen. Het was dan ook geen normale omgangstaal waarin over alledaagse dingen gesproken werd.

Voor wie meer te weten wil komen over deze taal, is het boek „Die geheime Sprache der Tiötten“ van Klaus Siewert een aanrader. Het boek is te leen in de bibliotheken binnen de Töddengemeenten en te koop in plaatselijke boekwinkels.