Töddenstations (POI's)

1. Boerenhuis „Familie Sweering“, Ibbenbüren

station01Het vakwerkhuis aan de Bachstraße 10 stamt uit de tijd rond 1750. Op de plek van de huidige voordeur bevond zich oorspronkelijk een grote poort, die naar de ingang van de hal leidde. De kleine voorgevel aan de linkerkant van het huis, de zogenaamde „Utlucht“, laat het schilderachtige effect van de voorgevel goed uitkomen. In deze woning richtte de handelaar Johann Heinrich Sweering in 1818 een groothandel in linnen op. Hij kocht handgeweven linnen in bij zelfstandige huiswevers en had ook wevers in loondienst.

Zijn gelijknamige zoon beleefde halverwege de 19de eeuw de beginfase van de industrialisatie en richtte in 1857 als een van de eerste fabrikanten in het Münsterland een mechanische weverij op. De weverij bezat ongeveer 100 weefgetouwen. Een aantal jaar later stierf de jonge fabrikant op 43-jarige leeftijd.

Zijn schoonzoon Clemens Bispinck nam in 1873 het bedrijf over en bouwde het uit tot een textielfabriek, die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog rond 300 medewerkers en 500 weefgetouwen telde.

2. Stadsmuseum met Tödden-afdeling, Ibbenbüren

station02Het stadsmuseum is gehuisvest in een 19de eeuwse villa. De timmerman Julius Hövel bouwde de villa in 1892 voor zijn broer Bernhard, die zijn geld als textielhandelaar in Mecklenburg verdiende. De timmerman koos een toenmalige nieuwbouwwijk in het weidelandschap in de buurt van het station als zijn seniorenverblijf – de brede straat was in die tijd slechts een onverharde veldweg.

De villa Hövel werd gebouwd in de tijd van het historisme en bevat bouwstijlen en decoratievormen uit verschillende tijdperken. Het huidige stadsmuseum vertoont deze invloeden niet alleen middels de rijk versierde voorgevel, maar ook met een groot aantal originele, sierlijke ruimtes met gedetailleerde vloerbedekking, wandkleden, meubels en accessoires.

Een van de themaruimtes op de bovenverdieping is volledig geweid aan de Tödden van Ibbenbüren. Een houten kist uit het Münsterland, gevuld met een bruidsschat, geeft het grote belang van het linnen in de tijd van de Tödden weer. Een oeroude met vacht bespannen reiskoffer, die de handelaren van deze koopmansdynastie tijdens de vele zakenreizen bij zich droegen, stamt uit de collectie van de traditionele koopmansfamilie Mohrmann uit Ibbenbüren. In het museum kun je ook een korte introductie in de Töddentaal krijgen.

3. Villa Veerkamp met Töddenfiguur, Hopsten

station03De Töddenkoopman Joseph Wilhelm Veerkamp verkreeg tijdens de Franse tijd rond 1800 veel welvaart. Volgens geschriften was hij de aanvoerder van een smokkelorganisatie, die de Franse douanebeambten steeds te snel af was. In het holst van de nacht losten een paar schepen de smokkelwaren aan de kust van de Noord- en Oostzee. Vervolgens zorgden de wandelende handelaars voor de geheime levering aan de klanten.

In 1808 gaf Veerkamp een Nederlandse architect de opdracht om tegenover de kerk een statig herenhuis te bouwen. Het massieve gebouw met twee verdiepingen en classicistische stijlelementen was destijds absoluut het mooiste huis van Hopsten. Op de sluitsteen boven de huisdeur staan de initialen van de bouwmeester Joseph Wilhelm Veerkamp.

Van binnen zijn het trappenhuis en de open haard uit 1808 nog bewaard gebleven. Ondanks zijn smokkelaarscarrière werd Veerkamp in de Franse tijd verkozen tot „Maire“ (burgemeester) van Hopsten. De Fransen wendden zich graag tot de kooplieden, omdat zijn Frans spraken en bekend waren met de correspondentievormen.

Voor de villa Veerkamp, dat tegenwoordig wordt gebruikt als burgercentrum van de gemeente Hopsten, staat het Tödden-monument. Het monument is ontworpen door de kunstenaar Leo Janischowsky uit Steinfurt. Het monument presenteert een reizende Tödde met zijn stapel linnen.

4. Historisch dorpscentrum met Töddenhuisjes, Hopsten

station04In de voormalige Töddengemeente Hopsten vind je hier en daar nog oude koopmanshuisjes, waarvan de deftige bouwstijl de leefstijl van de Tödden weerspiegelt. Terwijl bij de oude boerenwoningen de gevel met de grote voordeur naar voren gericht is, wijzen de Töddenhuisjes met hun brede kant naar de straat. Een huisdeur en het grote, uitstekende venster weerspiegelen de woonkwaliteit van de koopmanshuizen.

Het huis aan de Marktplatz 2 heeft boven de huisdeur een opvallend gebeeldhouwde buitenlamp in rococostijl uit de 18de eeuw. Het huis aan de Gustav-Lampe-Straße 3 heeft een brede hal met toegangspoort naar de straat. De rechterkant van het gebouw, met een opvallende vakwerkgevel, stamt nog uit de tijd rond 1780. Langs de Bunte Straße staan meerdere villa’s uit eind 19de eeuw. Deze dienden als seniorenverblijf voor de Tödden na hun vele zakenreizen. Het vakwerkhuis aan de Bunte Straße 24 was ooit een populair wijnhuis van de Tödden. Met een glas wijn bij de open haard wisselden zie hier hun nieuwtjes en ervaringen uit. Vele lucratieve zaken werden in deze herberg bekokstoofd.

5. Hof Holling met Töddenzuil, Hopsten

station05Hof Holling was een van de oudste en grootste boerderijen van Hopsten. In de 19de eeuw trouwde Hermann August Brenninkmeyer uit de C&A-dynastie met de erfgename Anna Maria Mathilde Holling. Men noemde deze tak van de familie ook wel de „Hopster Brenninkmeyer“. In 1963 werd de oude boerderij uit 1787 opnieuw gebouwd in de stijl van een grote hallenhuisboerderij en ingericht als hotel. Tegenwoordig vormt het een stijlvol middelpunt van het parkachtige landgoed.

Achter het huis ligt de voormalige brouwerij. Deze stamt uit het jaar 1730 en wordt door de streekvereniging in gebruik genomen. Op de oprit staat sinds 1956 het door beeldhouwer Karl Lammers als indrukwekkende zandstenen zuil geschapen Tödden- en Maria-monument. De weergave van de wandelende handelaar symboliseert het belang van Hopsten als Töddendorf, het Maria-reliëf staat voor de loyaliteit van de bevolking aan het katholieke geloof. Ook de inscriptie op de achterkant verwijst naar de lange traditie van de Töddenhandel in Hopsten.

6. Haus Nieland, Hopsten

station06Het legendarische verblijf van de Töddenfamilies Pogge en Veerkamp begon waarschijnlijk op het terrein van een middeleeuwse ministerieel, de „Poggeborg“.

Het landhuis werd in 1734 door de groothandelaar Hermann Pogge gebouwd en past mooi tussen de boeren vakwerkhuisjes. Bij latere verbouwingen behield het huis zijn huidige uiterlijk. De „alte Turm“, een stenen aanbouw, diende vermoedelijk als archiefruimte. De erfgename Henriette Pogge trouwde met de vermogende koopman Josef Wilhelm Veerkamp. Zo kwam de Poggeborg in handen van de Töddenfamilie Veerkamp, die in de tijd rond 1800 tot de grootste kooplieden van het dorp behoorde. In 1827 ging het bedrijf J. W. Veerkamp & zonen failliet. Hun bezit werd verkocht en de familie vertrok naar het buitenland.

In 1848 kocht de koopman Theodor Werner Nieland de Poggeborg. Hij zette een manufacturenhandel op en bouwde in 1849 een stokerij. In 1912 richtte de schrijver Dr. Josef Winckler, kleinzoon van Nieland, samen met zijn zwager prof. Dr. Wilhelm Vershofen en Jacob Kneip in dit gebouw de „bond voor arbeiders van Haus Nyland“ op. Meer schrijvers sloten zich bij deze kunstenaarsgroep aan. Professor Vershofen heeft met zijn historische roman „Poggeborg – de geschiedenis van een landhuis“ het Haus Nieland tot monument gemaakt. De auteur Josef Winckler beschrijft zijn jeugdherinneringen op Haus Nieland in het boekdeel „Pumpernickel – mensen en verhalen rondom Haus Nieland“.

Aan de binnenkant zijn de oude verkoopruimte en de ruime woonkeuken behouden. De „blauwe zaal“ herbergt een waardevol saloninterieur uit de 19de eeuw. In de stenen toren bevindt zich een klein kapelletje.

7. Zeilboten op de rotonde, Hopsten

station07Vier grote stenen zeilboten markeren sinds een aantal jaar de rotonde op de weg van Rheine naar Hopsten. De boten herdenken de Tödden Johann en Dietrich Teeken, die tijdens een zakenreis naar de Zuiderzee in Nederland in scheepsnood raakten en tot Maria om hulp baden. Aangezien het tweetal gered werd, beloofden zij een kapel voor het Annabeeld te bouwen. De zeilboten symboliseren de vier windstreken, ze wijzen tegelijkertijd in de richting van het bedevaartsoord St. Anna.

Het door Robert Jasper, Ludger Otte en dr. Werner Üffing ontworpen monument verbindt de geschiedenis van Hopsten met een modern ontwerp langs een drukke verkeersweg in het oude Töddenland.

8. St. Anna kapel, Hopsten

station08Wat de relatie is tussen de kapel en het verderop gelegen bedevaartsbeeld, wordt duidelijk met de Latijnse inscriptie boven de poort van de kapel: „in het jaar 1677 is hier een eik gekapt, dat het huidige beeld ter ere van de heilige Anna geschapen heeft, aan wie ook het in 1694 gebouwde kapelletje is opgedragen.” De gebroeders Teeken uit Hopsten waren rond 1690 tijdens hun reis over de Zuiderzee in scheepsnood geraakt en bouwden als dank voor hun wonderlijke redding een gebedshuis voor de heilige Anna, waarin ze ook het beeld plaatsten.

Drie jaar later schonken de kooplieden een kerkklok met een ‘Nederlandse’ inscriptie: „me fecit cyprianus crans anchusa anno 1731. Deese Glocke is gegeven ter eere gods daor georg teodor gerhart fr. Teeken, fratersen jan hendrick pogge in compagnie abraham toussait coopmann tot amsterdam.“ De gulle gevers waren ook Nederlandse kooplieden, de klokkengieter was Cyprianus Krans uit Enkhuizen.

Ook bij de oprichting van de Sankt-Annen-Bruderschaft, organisator van de jaarlijkse Anna-bedevaart, waren in 1755 talrijke Tödden betrokken.

In 1728 werd het kleine gebedshuisje uitgebouwd tot kapel en rond 1848 werd het door de pastoor baron von Kettler uit Hopsten, de latere bisschop van Mainz, uitvoerig uitgebouwd.

Tot op de dag van vandaag worden er aan de ‘moeder Anna’ nog een groot aantal geheimen toevertrouwd. De kapel met het beeld van de St. Anna is een officieel bedevaartsoord van het bisdom Münster en nog altijd de bestemming van vele bedevaarders.

9. Töddenhuisjes rondom het marktplein, Schapen

station09Veel Töddenhuisjes in Schapen staan langs de oude handelsweg tussen Hopsten en Lingen. Rondom het marktplein bouwden de koopmanszoon Johann Heinrich Vaal en zijn vrouw Clara Taabe rond 1820 de woning van de huidige herberg Rosken. Het geld voor de bouw had hij als koopman in Amsterdam verdiend.

Het naastgelegen huis aan Am Markt 3 werd in 1834 als verblijf van de koopman Bernhard Josef Vaalmann gebouwd.

Het tegenover gelegen huis aan Am Markt 5 is in 1875 gebouwd door leden van de Töddenfamilie Cromme, diens landgoed (tegenwoordig Hof Winterring) zich ten noorden van de handelsweg bevindt.

De koopmansdochter Christina Vaal en haar man dr. Heinrich Düring bouwden in 1836 de woning aan de Beestener Straße 5, voorzien van pleistermortel en gebouwd in classicistische stijl. De geometrisch aangelegde tuin met een rij buksbomen is typerend voor een Töddenfamilie. De huisingang weerspiegelt de deftige wooncultuur van de kooplieden. Van de vroegere koopmanswoning Greve/Cromme, Hopstener Straße 13, is enkel nog de oude zandstenen bron in de tuin overgebleven.

De eigenaren van het in 1801 gebouwde Töddenhuis Kemler, Hopstener Straße 4, waren de koopman Franz Jacob Kemler en zijn vrouw Maria Catharina Vaalmann. Het was het eerste klinkklare woonhuis in Schapen. In het ruime vakwerkhuis aan de Koppelweg 4 met een brede voortuin aan de Hopstener Straße, woonde rond 1780 de Tödde Jan Gerd Vaalmann, ook wel „de miljonair“ genoemd.

Het Töddenhuis Wullmoor, aan Im Torschlag 2, werd in 1819 op een geërfd stuk grond van het landgoed Cromme gebouwd door de zakenman en molenaar Heinrich Vaalmann en zijn vrouw Anna Christina Huilmann. Op de bron in de tuin zijn hun initialen en de letters HW (= Haus Wullmoor) aangebracht.

10. Hüberts´sche handelsschool, Schapen

station10De kooplieden hechtten grote waarde aan een goede opleiding voor hun zonen, vooral op het gebied van schrijven, rekenen en boekhouden. Goed opgeleide leerkrachten waren echter nog moeilijk te vinden. Daarom haalde de koopman Jan Heinrich Vaal in 1843 de leraar Christian Hüberts uit het Nederlandse Harderwijk naar Schapen om privéles aan zijn kinderen te geven. De leraar trouwde niet veel later met een boerendochter uit Schapen en zette in de woning van zijn schoonvader een particuliere school op.

Al snel ontwikkelde deze school zich tot een bekende handelsschool. Er werden nieuwe schoolgebouwen en een internaat gebouwd. De scholieren kwamen uit heel Duitsland, Nederland, Spanje en zelfs de Nederlandse kolonies. In 1972 verhuisde de school om politieke redenen naar Hopsten en bestaat daar nog steeds. De gebouwen in Schapen zijn overgenomen door het Christophoruswerk uit Lingen en dienen tegenwoordig als instelling.

11. Töddenmuseum en oud parochiehuis, Schapen

station11Het oude parochiehuis, een pastoorswoning van de gereformeerde gemeente, is een belangrijk monument binnen de gemeente Schapen en dient tegenwoordig als ontmoetingscentrum. Vlakbij het oude vakwerkhuis bevinden zich ook een historische brouwerij en een oude dorpssmederij.

Op de bovenste verdieping heeft de buurtvereniging Schapen een tentoonstelling over de geschiedenis van de wandelende wandelaars opgezet. Foto’s, documenten en objecten berichten over het begin van het Töddenbestaan, de legendarische muntenschat van Schapen en oude koopmanfamilies zoals Vaalmann en Cromme, Kemler en Brandlegt, Veerkamp en Taabe, Greve en Vaal.

De handelsrelaties met België en Nederland worden aan de hand van kaarten en documenten weergegeven. Oude bedrijfsdocumenten brengen het leven van de kooplieden in kaart en ook de originele draagkoffer van de wandelende handelaars is hier te zien.

12. Töddenwoning Urschen, Beesten

station12De oudste delen van het Töddenhuis Urschen stammen uit het jaar 1512. De woning was sinds 1570 in het bezit van de koopmansfamilie Möller., ook wel Urschen genoemd. De eigenaren voerden eeuwenlang deze bijnaam. De oorsprong en betekenis hiervan zijn onbekend.

De familie Urschen had een intensieve handelsrelatie met het Nederlandse Groningen. Ze hadden ook (schoon)familieleden uit andere Töddenfamilies uit Beesten, zoals de families Meier, Preun, Weemeyer, Haakmann, Lodtmann en Sand.

Typerend voor de bouwwijze van de handelaarshuizen is de relatief kleine opslagruimte voor de landbouw, daartegenover stond een ruime woonkamer met hoge ramen. In de werkkamer deed de koopman zijn schrijfwerkzaamheden en boekhouding.

In de 18de eeuw werd het huis uitgebreid verbouwd. In 1792 kreeg de grote keuken een decoratieve open haard met initialen van de erfgename Maria Aleid Urschen en haar man Johann Bernhard Sand, die overigens ook van een oude koopmansdynastie in het Emsland afstamde.

Het vakwerk aan de buitenkant van het huis is ontstaan tijdens een latere verbouwing in 1813. De „Butzenwand“ met twee verdiepingen en een bedstede werd in hetzelfde jaar gebouwd.

In de jaren 2011, 2012 en 2013 werd het monumentale gebouw gerestaureerd. Tegenwoordig dient het als gemeentekantoor en streekhuis.

13. Töddenkamer in Haus Pott-Holtmann, Freren

station13Rond 1830 liet de vermogende Töddenhandelaar Eberhard Pott het statige huis aan de Markt bouwen. De familie Pott hield zich sinds de periode rond 1700 bezig met de textielhandel in Nederland. Pott behoorde in de 18de eeuw tot een van de rijkste koopmannen van het graafschap Lingen.

De nieuwbouw in 1830 was de eerste massieve woning met twee verdiepingen in Freren en was in deze zeer landelijke omgeving een bijzondere verschijning. De voorzijde met de vijfhoekige ramen, opvallend stucwerk en een driehoekige gevel is een mooi voorbeeld van een classicistische bouwstijl.

Oorspronkelijk bevond zich in het midden een portaalachtige huisdeur. Op de benedenverdieping lagen de werkruimtes aan de straatkant. Op de bovenverdieping bevond zich aan de achterzijde een grote salon, de zogenaamde „Töddenkamer“. Van het interieur uit de tijd rond 1850 zijn het meubilair en de plafondschilderingen nog volledig behouden gebleven.

In deze periode bouwde de familie Pott een veder- en donsfabriek, waarvan het productiegebouw aan de Grulandstraße nog steeds bestaat.

In de jaren ‘50 verloor de façade van de koopmanswoning zijn originele representatieve karakter door de bouw van een grote etalage.

14. Töddenhuis Bahlmann, Recke

Recke Radfahrgruppe vor Töddenhaus Bahlmann lqDe hoekige oude vakwerkhuisjes aan de Markt vormden ooit het hart van het Töddendorp Recke. Na een brand in 1748 werd het huis aan de Wieboldstraße 3 door de landvoogd Limberg opnieuw opgebouwd. Later werd het overgenomen door de koopman Claasen, die het vervolgens aan de Töddenfamilie Bahlmann verkocht. De inscriptie in de balken vertelt over lot van de woning en de vrome geest van zijn bewoners.

De inscriptie in de balken van de woning aan de Wieboldstraße 4 uit 1820 herdenkt de Töddenfamilies Lünnemann en Brandligt.

De herberg „Altes Gasthaus Greve“ was een oude stamkroeg van de Tödden en diende tijdens de Franse tijd als verblijf van de „Maire“ (= burgenmeester) Lünnemann. De Fransen verkozen graag kooplieden tot burgemeester, omdat zij bekend waren met het correspondentieverkeer en vaak ook enige kennis van de Franse taal hadden.

In 1864 nam de familie Greve de herberg over, die niet veel later uitgebreid werd met een bakkerij. De vergaderingen van de gemeenteraad in Recke vonden vaak plaats in een zaaltje boven de bakkerij.

15. Huster-monument op het marktplein, Recke

station15Voor de herberg Greve staat het monument van de Tödde Benediktus Huster. De Husters waren een oude koopmansfamilie en bezaten aandelen in meerdere bedrijven in Schleswig-Holstein.

Na 1830 bouwde Franz Clemens Huster in Recke een statig landhuis en stortte zich daar op zijn veelzijdige historische en natuurkundige interesses. Ook richtte hij er een armenhuis op voor de gemeente Recke. Zijn zoon Benediktus Huster erfde het ouderlijke pand en was tevens mede-eigenaar van de firma’s Hegge & Co en Terheiden & Co in Neustadt en Eutin. Zijn broers August en Gustav bezaten de firma Gebr. Huster in Hamburg. In 1887 trok Benediktus Huster zich terug uit het bedrijf en leefde tot aan zijn dood in 1897 in Recke.

De drie gebroeders Huster schonken het bezit aan de kerkgemeenschap van Recke voor de bouw van een ziekenhuis, tegenwoordig het senioren- en verzorgingscentrum, diens naam „Haus St. Benedikt“ aan de koopman Benediktus Huster herinnert.

16. Töddenhuis Weller aan de Hauptstraße, Recke

station16Een typisch Töddenhuis uit de tweede helft van de 19de eeuw is Haus Weller aan de Hauptstraße 24 in Recke. Het werd in 1872 gebouwd als deftig woonhuis door het echtpaar Eugen en Amalie Weller.

Het huis heeft niet de traditionele vakwerk-bouwstijl zoals de andere Töddenhuizen, maar is gebouwd naar een voorbeeld van een villa. Dit is terug te zien in de vlakke voorgevel met een antieke opzet en het trapje voor de sokkel. De werkruimte is duidelijk gescheiden van het woongedeelte en bevindt zich in de aanbouw aan de achterzijde.

Het hoofdverblijf van de koopmansfamilie Weller bevond zich in de buurschap Langenacher in Recke. De gebroeders Weller hadden ondernemingen in Wolvega, Zwolle en Heerenveen. De vrouw van de aannemer kwam uit de notabele Töddenfamilie Huster.

17. Töddenhuis en herberg aan de Hauptstraße, Recke

station17De herberg Strübbe, Hauptstraße 36, was vroeger de woning van de oorspronkelijk uit Mettingen stammende Töddenfamilie Meyknecht. De familie was al sinds 1700 actief in de linnenhandel en deed in de 18de eeuw ook zaken in Pruisen.

De in classicistische stijl gebouwde woning werd rond 1880 in opdracht van Moritz Meyknecht, die een zaak in Amsterdam runde, door een Nederlandse architect verbouwd. Daarbij ontstond het buitengewone mansardedak. Bij het terrein hoorde vroeger ook een landbouwbedrijf, een bakkerij en een brouwerij.

Een apart gevormde steen naast de trapopgang herdenkt de latere bewoners, de familie Strübbe.

18. Töddenhuis Nospickel aan de Hauptstraße, Recke

station18Het statige woonhuis van de veehandelaar Nospickel aan de Hauptstraße 19 was vroeger de woning van de Töddenkoopman Franz Gerdemann. Hij kwam uit een grote koopmansfamilie in Hopsten en Recke.

Meerdere familieleden runden gezamenlijk de handelsfirma Gerdemann in Holstein en zorgden voor regionale welvaart in de tijd van het continentaal stelsel van Napoleon. Wellicht dat de familie daarom de bijnaam „Olderieke“ draagt.

Franz Gerdemann, mede-eigenaar van de firma Gebr. Gerdemann in Oldesloe, met een filiaal in Schönberg, vestigde zich hier definitief nadat hij zich uit de zaak had teruggetrokken. De inscriptie in een oude balk van het buurhuis aan de Hauptstraße 21 benoemt het echtpaar Alterieke-Gerdemann als aannemer van het in 1714 gebouwde vakwerkhuis. Het beroep van de echtgenoot werd in die tijd vaak als „handelsman“ aangeduid.

19. “Voß up de Burg”, Mettingen

station19De villa Voß is een groot en prachtig seniorenverblijf dat een rijke koopman in de 19de eeuw in zijn woonplaats liet bouwen. De familie Voß, die zich vanaf de 17de eeuw met de linnenhandel in Nederland bezig hield, bewoonde vroeger het tegenovergelegen Schultenhof. De koopman Gregor Xaver Voß en zijn vrouw Auguste Elisabeth besloten in 1880 een nieuw woonhuis te bouwen. Op 20 juli werd de eerste steen gelegd door de drie zonen Carl, Silver en Albert.

De architect Josef Kuhlmann ontwierp de villa met anderhalve verdieping in een laat classicistische bouwstijl. Omdat het imposante bouwwerk op een helling stond en omgeven was door een zandstenen muur, noemden de inwoners van Mettingen de familie ook wel „Voß up de Burg“.

Tussen 1910 en 1925 werd de villa meerdere malen ver-, en uitgebouwd. De schilderachtige verschijning bleef op deze manier behouden. In 1960 verkocht de familie Voß hun bezit aan de franciscanenorde. Het monumentale gebouw dient sindsdien als convent van de ‘Padres’, die het naastgelegen Comenius-college en het instituut voor Braziliëkunde van de franciscanen leiden.

20. Tüötten-museum, Mettingen

station20Het huis Telsemeyer was ooit eigendom van de firma Moormann en ten Brink, die in de 18de eeuw tot de rijkste kooplieden in Mettingen behoorden.

In 1780 lieten de warenhandelaar Johann Conrad Moormann en zijn vrouw Anna Catharina Elisabeth het statige vakwerkhuis bouwen. Hun initialen zijn terug te vinden boven de bogen van de toegangspoort en op de stenen plaat bij de open haard in de hal.

De muur- en glasschilderingen aan de vensterruiten van de gastenverblijven berichten uit de geschiedenis van de Tüöttenfamilies in Mettingen. In de gewelfde hoekkamer werd in 1791 het eerste „kredietgezelschap“ van Mettingen geopend en diende in eerste instantie als brandveilige archiefruimte voor belangrijke documenten.

Drie historische vakwerkhuisjes in het binnenhof van het hotel werpen licht op de leefomstandigheden van de Tüötten in de 18de en 19de eeuw. De grote vestibule met open haard wekt als centrum van het huiselijk bestaan, de belevingswereld van de toenmalige bevolking tot leven. Verschillende historische woonruimtes presenteren de degelijke wooncultuur van de oude Tüöttenhuisjes.

Een aantal tentoonstellingsruimtes brengen aan de hand van oorkondes, oude boeken en foto’s de geschiedenis van de Tüöttenhandel en de koopmansfamilies in kaart. Ook zijn er stoffen, kledingstukken en accessoires te zien. De veelzijdigheid en de liefdevolle en gedetailleerde vormgeving maakt de tentoonstelling de moeite waard.

21. Armenpaal, Mettingen

station21Armenpalen waren vroeger te vinden aan de rand van belangrijke handelswegen en dienden ter inzameling van geldstukken voor de armen. De uitgeholde opening in het bovenste gedeelte was vergrendeld met een dik hangslot. De schenker kon er zeker van zijn, dat zijn gift ook daadwerkelijk bij de armen terecht kwam en niet in verkeerde handen viel.

Een opschrift met de op Jesus betrekking hebbende zinspreuk: „vergeet mijn zwakheid niet“ zou de passanten tot christelijke naastenliefde moeten doen bewegen.

De armenpaal stamt uit de tijd rond 1800 en stond oorspronkelijk langs de „Tüöttenweg“ van Bockraden naar Mettingen. Later werd het als aandenken verplaatst naar deze plek naast het Amberger processiehuisje.

22. Streekhuis en „Der Brenninckhof“, Mettingen

station22De eerste geschriften van hof Brenninckmeyer in de boerengemeenschap Wiehe dateren uit 1462. Het is het verblijf van de gelijknamige Töddenfamilie, waaruit later het textielconcern C&A voortkwam.

De erfegenaam Johann Brenninckmeyer (1635-1691) zag in 1671 van de overname van de ouderlijke boerderij af om zich volledig op zijn handelszaken te richten. Hij stond aan de wieg van de oprichting van „C&A Brenninckmeyer“. In 2013 verwierven zijn nakomelingen het landgoed.

Het tegenovergelegen streekhuis is een van de drie voormalige „knechtenhuisjes“ van het hof Brenninckmeyer. Het stamt uit de 17de eeuw en is het oudste nog bestaande knechtenhuis in Mettingen. De landarbeiders moesten de huur voor het huis en het land met geld en werkzaamheden betalen. Veel arbeiders verdienden geld als wandelende handelaar. Ze werkten niet voor zichzelf, maar in opdracht van een groothandelaar die hen van waren of krediet voorzag, maar ook hun winst afroomde.

De leefomstandigheden van de landarbeiders waren karig. Het schilderachtige beeld van het huidige streekhuis doet vergeten, wat voor ruimtegebrek en armoede er ooit in deze simpele huisjes heerste.

Het huis werd oorspronkelijk gebouwd als vakwerkhuis. Het was een boerenwoning zonder schoorsteen. Pas in de 19de eeuw werd er een open haard met schoorsteen geplaatst.

In 1971 werd het huis 12 meter verplaatst, naar zijn huidige plek, en dient sindsdien als streekhuis van de streekvereniging van Mettingen.